Nieuwjaarsspeech 2017

U bent van mij gewend dat ik in mijn nieuwjaarstoespraak de stand van de transitie, ofwel transformatie, op het gebied van Wet Langdurige Zorg (WLZ), Wmo, nieuwe Jeugdwet en Participatiewet becommentarieer. Dat wil ik dit jaar graag weer doen. Ik heb in 2015 aangegeven dat ik teleurgesteld was dat, ondanks het feit dat we van een exclusieve samenleving in een formeel inclusieve samenleving terechtgekomen zijn, er vrijwel geen innovaties en vernieuwingen te bewonderen waren. 

Vorig jaar heb ik mijn ongenoegen uitgesproken over de enorme bureaucratische ballast die er met de transitie gegenereerd werd. En dat er nog steeds weinig innovaties zichtbaar waren. Dit derde transitiejaar zou ik u willen verblijden met de mededeling dat in de meeste regio’s de transitie echt begonnen is. Dit betreft zowel gemeenten die hun sociaal domein structureren als de zorgkantoren die nadrukkelijk sturen op participatiedoelstellingen en eigen regie van WLZ cliënten. Goed nieuws, want hier is het tenslotte om begonnen.  

Helaas zijn niet alle beloftes waargemaakt. Te denken valt aan de bureaucratische rompslomp en het systeem van indicatiestelling. Als je de geluiden voor de transitie hoorde, dan zou dit bureaucratische, kostbare en niet-menselijke systeem gaan verdwijnen. Na introductie van het systeem van indicatiestelling in de zorg, nu 18 jaar geleden, zijn de zorgkosten in Nederland pas echt fors gaan stijgen. In de meeste gemeenten hebben sociale wijkteams het systeem van indicatiestelling overgenomen. In die spaarzame gemeenten waar dit niet is gebeurd, zijn de kosten van de transities beduidend lager. Hier wordt naar mijn idee meer geïnvesteerd in preventie, vroegsignalering en ook in versterking van de sociale structuren. Bovendien is in die gemeenten de tevredenheid van cliënten en samenleving hoger. 

In dat verband verwijs ik graag naar een experiment dat de Gemeente Wijchen samen met zorgpartners uitvoert om de uitvoering van de Wmo in handen te leggen van een groep aanbieders, waarbij ook een deel van het financieel risico overgaat naar die groep aanbieders. En waarbij gepoogd gaat worden om door preventie en vroegsignalering de instroom in de tweedelijnszorg substantieel te verlagen. Dit initiatief wint aan waarde nu dat blijkt dat in de regio in toenemende mate generalistische zorg wordt ingeruild door meer specialistische zorg en de complexiteit van zorgvragen eerder toeneemt dan afneemt. 

Op het punt van toeleiding naar werk wil ik graag de initiatieven in West Maas en Waal, Rozendaal en Bergen op Zoom noemen waar burgers tegen een gereduceerd tarief dienstencheques kunnen kopen. Met deze dienstencheques kunnen zij een werkster, met afstand tot de arbeidsmarkt, inhuren. Het mes snijdt in dit systeem aan meerdere kanten. Mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt kunnen werkervaring op doen, eenzame ouderen worden geholpen met de huishoudelijke zorg en het ‘zwarte geld circuit’ wordt bestreden.

Verder wil ik de inspanningen van de Gemeente Arnhem noemen om een innovatie te bewerkstelligen met het centrum voor activerend werk. Hierbij geeft de Gemeente Arnhem een viertal organisaties in het Arnhemse de gelegenheid om de toeleiding naar werkervaringsplaatsen voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en statushouders te realiseren. In dit kader is het knap dat de toeleiding zeer efficiënt is georganiseerd met vijf of zes medewerkers.

Als laatste best practice noem ik de ontwikkeling bij de zorgkantoren. Vanaf volgend jaar verdwijnen daar de budgetplafonds en in toenemende mate laten de zorgkantoren de zorgaanbieders vrij om bepaalde innovatieprogramma’s te bekostigen. Driestroom heeft in dat kader bijvoorbeeld gekozen om de eigen regie van de cliënt te versterken en om middelen te gebruiken om ‘cultuursensitieve zorg’ te realiseren. Met het noemen van deze voorbeelden zijn de zwaluwen die nog geen zomer maken, genoemd. Maar ik ben hoopvol gestemd dat als we hier volgend jaar weer staan, het sturen van overheden op het gemeentelijk domein en de innovaties in het sociaal domein een goede plek gekregen hebben. 

Ik wens dat in het komende jaar een aantal ontwikkelingen die niet passend zijn, kritisch onder de loep worden genomen. Ik noemde u al het systeem van indicatiestelling. Een tweede ontwikkeling waarvan ik hoop dat we er niet te veel mee geconfronteerd gaan worden: hoort u het spreekwoord: de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten nog weleens? Ik hoor het niet veel meer, omdat we de praktijk die bij dit spreekwoord hoort, zo langzamerhand hebben afgeschaft. Ik refereer daarbij ook aan de bezuinigingen op het sociaal domein die bij de transitiedatum rond de 4,5 miljard bedroegen, met daar bovenop nog een overschot van bestedingen van regio’s van 1,2 miljard, zoals recent gepubliceerd. Bij elkaar een onderbesteding in het sociaal domein van een kwart tot 30 procent in vergelijking met de jaren daarvoor. 

Wanneer je dan bedenkt dat cliënten het financieel moeilijk hebben en het flankerend beleid voor gezinnen met een kind met een beperking bijna volledig is wegbezuinigd, dan had dat beter gekund, vind ik. Mij stoort het dat bij de sturing door overheden, naar mijn idee, niet de kwaliteit en de inhoud voorop staan, maar dat vooral de angst om niet tot budgetoverschrijding te komen voorop staat. Uiteindelijk betekent dit dat de landelijke overheid zijn financiële normen behaalt, door de financiële problematiek bij lokale overheden over de schutting te gooien en dat lokale overheden dit, weliswaar beheerst, uiteindelijk bij hun zwakkere burgers neerleggen. Begrijp mij goed: ik ben blij met de transities, maar inhoudelijk goede dienstverlening voor kwetsbare burgers zou voorop moeten staan in plaats van dat die burgers uiteindelijk de rekening betalen. In dat kader zou ik ook aandacht willen vragen voor wat er uiteindelijk in de portemonnee overblijft van onze zelfstandig wonende cliënten. Naar mijn idee te weinig om volwaardig te kunnen participeren in onze maatschappij. 

Ik noemde u ook al dat uit gegevens van de regio Nijmegen blijkt dat in tegenstelling tot hetgeen beoogd was, er een verschuiving plaatsvindt van goedkope naar dure zorg, en van generalistische naar specialistische zorg. Hoewel nog onderzocht wordt waar de oorzaken hiervan liggen, zou ik willen stellen dat een deel van deze ontwikkeling te wijten is aan het feit dat preventie en vroegsignalering in de meeste regio’s een ondergeschoven kindje is. En dat slechts een fractie van de beschikbare middelen daarvoor besteed wordt. Ik denk dat gemeenten en regio’s die vroegsignalering en preventie op het huidige niveau laten, uiteindelijk geconfronteerd gaan worden met budgetoverschrijdingen in de tweede lijn. Zoals ook wel gezegd wordt: ‘Een pontje welzijn voorkomt een kilo zorg’.

Dan een laatste punt waar ik mij zorgen over maak betreffende de Participatiewet. Ook door budgetten en financiën gedreven, is bij de oprichting van de regionale werkbedrijven vooral geïnvesteerd in het ‘laaghangend fruit’. Dat betekent dat er geïnvesteerd is in bijstandscliënten met een relatief geringe afstand tot de arbeidsmarkt, die met een geringe inspanning werkfit gemaakt kunnen worden. Inmiddels kunnen we constateren dat de zogenaamde ‘laaghangend fruitgroep’ bij de opbloeiende economie, werk gevonden heeft, maar dat in de groep daarachter, die al langer in de bijstand zit en een grotere afstand tot de arbeidsmarkt heeft, eigenlijk niet of nauwelijks in geïnvesteerd is.  

Bij het doorgroeien van de economie komen we opnieuw in een situatie terecht, dat er mensen van ver gehaald moeten worden om aan de arbeidsvraag tegemoet te komen. En dit terwijl er bij ons sprake kan zijn van een ‘afgeschreven generatie’. De term ‘afgeschreven generatie’ (mensen die langdurig in een bijstandssituatie verkeren), is een tijdje terug ook in de landelijke media onderwerp van discussie geweest. Ik schrik ervan als ik lees dat politici open en bloot aangeven dat wat hen betreft in deze ‘afgeschreven generatie’ niet geïnvesteerd hoeft te worden. Volgens mij is dat nieuw in naoorlogs Nederland.

Als laatste een verzuchting in het licht van de ontwikkelingen die we om ons heen zien. Ik citeer graag onze collega Ali Topaloglu, die als bestuurslid van de Turkse Ondernemers Vereniging (TOV) Arnhem, een zelfde verzuchting liet horen. Ali: “In de wereld, maar ook in Nederland, doen de bruggenbouwers een stapje terug en de murenbouwers een stapje vooruit.” Ik denk dat Ali daar gelijk in heeft. Als we kijken naar een thema wat Driestroom na aan het hart ligt, namelijk het thema van interculturalisatie en diversiteit, dan zien we dat dit hedendaags geen populair onderwerp is.

Ik sluit af met Driestroom als organisatie: in januari opent het 100-ste gezinshuis, en voor de titel 100-ste huis zijn nog zorgondernemers in de race uit Alphen aan de Rijn, Waddinxveen en Gouda. U gaat het van ons vernemen. Daarnaast onze klassering dit jaar dat Driestroom in de groep ‘Werkgevers met meer dan 1000 medewerkers’, in de top 15 verkeert van beste werkgevers. Eigenlijk verkeert de organisatie, mede dankzij de uitdagingen van de transitie, in een bloeiperiode, hoewel bezuinigingen ons zorgen blijven baren. 

Ik wens u namens alle collega’s en mijzelf een fantastisch 2017 toe!

X

Kans op vertraging in vervoer op donderdag 27 juni

Op donderdag 27 juni 2019 is er kans op vertraging in het vervoer in en rondom Nijmegen in verband met een concert in het Goffertpark.

Datum laatste wijziging: dinsdag 26 juni om 10.00 uur